They walked companionably along the beach, enjoying each other's company.
Ze liepen gezellig langs het strand, genietend van elkaars gezelschap.
The two friends chatted companionably over a cup of coffee.
De twee vrienden kletsten gezellig over een kopje koffie.
The dog and the cat played companionably in the backyard.
De hond en de kat speelden gezellig in de achtertuin.
She smiled companionably at her coworker as they worked together on the project.
Ze glimlachte gezellig naar haar collega terwijl ze samen aan het project werkten.
The elderly couple sat companionably on the park bench, watching the children play.
Het bejaarde echtpaar zat gezellig op de parkbank, kijkend naar de spelende kinderen.
The siblings walked companionably through the forest, reminiscing about their childhood adventures.
De broers en zussen liepen gezellig door het bos, herinnerend zich aan hun jeugdavonturen.
The neighbors often spent companionably evenings together, sharing stories and laughter.
De buren brachten vaak gezellige avonden samen door, deelend verhalen en gelach.
The students worked companionably in groups to complete the assignment.
De studenten werkten gezellig in groepen om de opdracht te voltooien.
The hikers walked companionably up the mountain, enjoying the scenery and each other's company.
De wandelaars liepen gezellig de berg op, genietend van het landschap en elkaars gezelschap.
The colleagues sat companionably at the lunch table, discussing work and upcoming projects.
De collega's zaten gezellig aan de lunchtafel, discussiërend over werk en aankomende projecten.
They walked companionably along the beach, enjoying each other's company.
Ze liepen gezellig langs het strand, genietend van elkaars gezelschap.
The two friends chatted companionably over a cup of coffee.
De twee vrienden kletsten gezellig over een kopje koffie.
The dog and the cat played companionably in the backyard.
De hond en de kat speelden gezellig in de achtertuin.
She smiled companionably at her coworker as they worked together on the project.
Ze glimlachte gezellig naar haar collega terwijl ze samen aan het project werkten.
The elderly couple sat companionably on the park bench, watching the children play.
Het bejaarde echtpaar zat gezellig op de parkbank, kijkend naar de spelende kinderen.
The siblings walked companionably through the forest, reminiscing about their childhood adventures.
De broers en zussen liepen gezellig door het bos, herinnerend zich aan hun jeugdavonturen.
The neighbors often spent companionably evenings together, sharing stories and laughter.
De buren brachten vaak gezellige avonden samen door, deelend verhalen en gelach.
The students worked companionably in groups to complete the assignment.
De studenten werkten gezellig in groepen om de opdracht te voltooien.
The hikers walked companionably up the mountain, enjoying the scenery and each other's company.
De wandelaars liepen gezellig de berg op, genietend van het landschap en elkaars gezelschap.
The colleagues sat companionably at the lunch table, discussing work and upcoming projects.
De collega's zaten gezellig aan de lunchtafel, discussiërend over werk en aankomende projecten.
Ontdek vaak opgezochte woordenschat
Wil je efficiënter woordenschat leren? Download de DictoGo-app en profiteer van meer functies voor het onthouden en herhalen van woordenschat!
Download DictoGo nu